Frank Groothof’s Toverfluit

De operatekst is bewerkt door Frank Groothof, de liedteksten zijn van Harrie Geelen.
Het verhaal:
Papageno is vogelvanger en woont helemaal alleen in het bos. Hij moet de hele dag vogeltjes vangen voor mevrouw Nacht. Hij vertelt het verhaal over prins Tamino die op een dag het bos in kwam hollen omdat hij achterna werd gezeten door een heel enge draak.
De drie hofdames van mevrouw Nacht helpen de prins. Ze zorgen ervoor dat de gemene draak én de prins in slaap vallen.
Papageno gaat verder met vogeltjes vangen, hij vindt het heel jammer dat er nooit een vrouw in zijn net komt. Want ook al is hij lui en niet mooi hij zou heel graag een leuke vrouw willen hebben én kinderen.


Gezongen

“Maar alle meisjes die ik ken
Zien dat ik een sijsjeslijmer ben
Een losbol en een windjewaai
Een dronken man met een papegaai
Zet elke dag m’n netten uit
De sijzen komen als ik fluit
Ik span m’n touw voor dag en dauw
Maar in m’n net zit nooit een vrouw”
Ondertussen is de prins wakker geworden en Papageno doet tegenover hem net alsof hij de draak neergemept heeft. De hofdames horen dit en waarschuwen hem dat hij niet mag liegen anders krijgt hij een slotje op zijn mond.
Aan de prins laten ze een zwarte steen zien waar het portret van prinses Pamina op staat, de dochter van mevrouw Nacht. De prins is op slag verliefd maar helaas prinses Pamina wordt gevangen gehouden door Sarastro, een boze tovenaar.
Mevrouw Nacht, die koningin is, vertelt huilend hoe de gemene Sarasto haar dochter ontvoerd heeft en vasthoudt in een ivoren toren. Ze smeekt de prins haar dochter te bevrijden en terug te brengen. Ze geeft hem een appel die Pamina moet eten, dan zal ze heel veel kracht krijgen en zal samen met de prins kunnen ontsnappen.
Papageno wil wel even wat meer weten over Sarastro maar opeens heeft hij een slotje op zijn mond en kan dan niets meer zeggen.. De De koningin belooft de prins dat als hij Pamina redt, hij met haar mag trouwen. De prins vindt dat geweldig natuurlijk en wil haar graag redden. En… Papageno moet mee! Daar heeft hij helemaal geen zin in maar moet wel. Het slotje wordt van zijn mond gehaald en Papageno houdt verder wijselijk zijn mond.
De koningin geeft de prins een toverfluit mee, die zal angst en pijn overwinnen. Papageno krijgt een kleine zilveren toverbel mee.
Mopperend gaat Papageno mee met de prins, hij mag natuurlijk alles sjouwen, een prins hoeft dat niet.


Papageno vertelt

“Heb je dat wel eens gedaan met zo’n fluit door een bos gelopen? Ja, ik moest ‘m steeds rechtop houden, zat ie weer vast tussen de takken, een takkenwerk! […]
En toen ik eenklein stukje van de appel vroeg.
omdat ik zowat stierf van de dorst, ging ie me
toch tekeer dat het een wonderappel was,
die prinses Pamina de kracht zou geven
om aan die Sarastro te ontvluchte.
Ja, alsof ik niet een klein beetje kracht
kon gebruiken met die malle orgelpijp!”
Bovendien is hij best wel bang voor Sarastro maar ja, nu kan hij niet meer terug. Ze komen aan bij de toren en ontmoeten twee priesters, maar zij vertellen een heel ander verhaal. Sarastro is helemaal niet zo slecht, hij is de koning van de Zon en Pamina’s vader! De koningin is juist slecht, zij is jaloers op Pamina omdat ze zo mooi is en zo prachtig kan zingen, veel beter dan haar moeder. Sarastro heeft de prinses naar zijn huis gebracht om haar te beschermen tegen haar boosaardige moeder!
Papageno en de prins weten niet meer wat ze geloven moeten…
Er volgt nog een leuk en spannend verhaal en zoals in alle sprookjes leefden ze nog lang en gelukkig, ook Papageno!